Eik

mannelijk (de)/ɛik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor loofbomen uit het geslacht
    Op het dorpsplein stond een machtige eik.
    En sta tezamen, maar niet te dicht bijeen: want de zuilen van de tempel staan ieder op zichzelf, en de eik en de cipres groeien niet in elkanders schaduw.’
  2. (Den Helder) hond
    Daar heeft hij in Den Helder een Engels taal-zwervertje ontdekt, nl. het zelfstandig naamwoord „eik” inde betekenis van hond. leder, die geregeld contact met inwoners van Den Helder heeft gehad, moet het gebruik van dit woord zijn opgevallen. Nergens anders komt het voor, noch iets dat er op lijkt. De benaming „eik” voorspelt voor het viervoetertje, dat er mee getooid wordt, weinig goeds.

Etymologie

* [2] In de plaatselijke betekenis van 'hond' uit Engels tyke, tike 'hond, mormel', voor het eerst aangetroffen in 1949, zie vindplaats hieronder.

Vertalingen

Engelsoak
Franschêne
DuitsEiche
Spaansroble
Italiaansquercia
Portugeescarvalho
Russischдуб
Japansオーク
Poolsdąb
Zweedsek
Deenseg