eigendom

onzijdig (het)/ˈɛiɣə(n)ˌdɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) het recht op de heerschappij over een zaak, de omstandigheid dat een zaak iemand toebehoort
    Immers, was het niet zo dat inbreuken op en beperkingen van vrijheid en eigendom van de burger slechts konden plaatsvinden bij wet, volgens de idealen van de Franse Revolutie en de denkbeelden van de Verlichtingsfilosofen? Uiteindelijk werd de kwestie door de Hoge Raad in het voordeel van de wetgever opgelost.
    In deze natuurtoestand mogen mensen zichzelf en anderen beschermen en inbreuken op eigendom bestraffen.
zelfstandig naamwoord
  1. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit

Etymologie

*Afgeleid van eigen .

Vertalingen

Engelsownership, property
Franspropriété
DuitsEigentum
Spaanspropiedad, propiedad, posesión
Italiaansproprietà
Portugeespropriedade
Arabischمُلْكِيَّة‎
Poolswłasność
Zweedsägande