egel

mannelijk (de)/ˈeɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. insecteneters (insecteneters) bepaald soort zoogdier, , vooral bekend om zijn stekelvacht en zijn gewoonte om zich bij gevaar op te rollenDe wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus.
    Ik vind egels erg lief.
    De stekels van een egel kunnen niet voorkomen dat veel egels doodgereden worden in het verkeer.
  2. insecteneters (insecteneters) benaming voor zoogdieren uit de familie egels
    In Azië komen ook egels zonder stekels voor.

Etymologie

*van Middelnederlands "eghel" in de betekenis van ‘zoogdiertje met stekels’ aangetroffen vanaf 1240, ontwikkeld uit Oergermaans *egila-, bij Indo-Europees *h₁eǵʰ-i-, net als "egel", "Igel", "ychel", : "ežỹs", "jeż", "jež", "ἐχῖνος" (ekhînos) en : "ոզնի" (ozni)

Vertalingen

Engelshedgehog
Franshérisson
DuitsIgel
Spaanserizo
Italiaansriccio
Portugeesouriço
Russischёж
Chinees蝟, 猬
Japans針鼠
Koreaans고슴도치
Arabischقنفذ
Turkskirpi
Poolsjeż
Zweedsigelkott
Deenspindsvin