echec

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets wat misloopt, mislukt
    De aanval liep uit op een volledig echec.
    Na het echec van 2006 is het alleen maar bergopwaarts gegaan. Elke verkiezing - Tweede Kamer, Provinciale Staten (en daarvan afgeleid Eerste Kamer), gemeenteraden, Europees Parlement - werd gewonnen. In Amsterdam en een aantal andere steden is D66 nu de grootste partij. Het succes is voor een belangrijk deel te danken aan Pechtold, die een verrassende ontwikkeling doormaakte. NRC Mark Kranenburg 29 januari 2017

Etymologie

* Leenwoord van het Frans "échec" (lett.: "schaak/schaakmat"). In de betekenis van ‘mislukking’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Uitdrukkingen

  • in echec houdenin bedwang houden

Vertalingen

Engelsabortion, failure, fiasco
Franséchec
Spaanschasco, fiasco, fracaso