dwarsbeuk

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van een kerk tussen het koor en het schip dat dwars op de lengteas staat
    Van de nachtzijde komt een zacht geklepper dat klinkt als een dialoog, en uit het donker verschijnt een ooievaar die met snelle vleugelslag om het gebouw vliegt, op weg naar de zuidelijke dwarsbeuk. NRC Samuel de Lange 29 maart 1997 [https://www.nrc.nl/nieuws/1997/03/29/leon-1989-7347894-a1251309 León 1989]
    Beetje populair en gemakkelijk boek qua opzet, maar voor de liefhebber van torenspitsen, lancetbogen en dwarsbeuken lang niet onaardig. Het biedt een overzicht van zo'n `hundred jewels of European architecture', met het accent op kathedralen in Italië, Frankrijk en Spanje. Nederland wordt vertegenwoordigd door de Utrechtse Dom en de St. Jan in Den Bosch met zijn `extravagant variety of structural forms.' NRC Henk Lagerwaard 23 april 1999 [https://www.nrc.nl/nieuws/1999/04/23/ramsj-7444294-a736437 Ramsj]