duwen
/dy.ʋǝⁿ/
Betekenis
werkwoord
- (ov) door druk uit te oefenen doen voortbewegenZij duwen de auto aan de kant.Plotseling lag ik plat op mijn rug doordat mijn buren me met een zwiep van de hooibaal hadden geduwd.Ik moest mijn fiets over de dikke planken duwen die als loopbrug over de sleuf voor ons tuinhek waren gelegd, me niet bewust van wat zich daaronder bevond.
- (ditr) iemand iets opleggen of opdringenHij kreeg een prop in zijn mond geduwd.
Etymologie
* In de betekenis van ‘door drukking voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Vertalingen
Engelspush, thrust
Franspousser
Duitsstoßen
Spaansempujar
Italiaansspingere
Portugeesempurrar
Russischтолкать(ся)
Chinees推
Japans押す
Koreaans밀다
Arabischيَدْفَع
Turksitmek
Poolspchać
Zweedsknuffa
Deensskubbe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek