dut

mannelijk (de)/dʏt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een korte en lichte slaap, veelal midden op de dag i.p.v. zoals gebruikelijk 's nachts
    's Middags zou je wel eens een dutje willen doen.

Etymologie

*(nomact) van het werkwoord "dutten".

Vertalingen

Engelsnap, snooze
Fransroupillon
DuitsSchläfchen, Siesta, Nickerchen
Spaanssiesta, siestón, coyotito
Italiaansdormitina