duplex
mannelijk (de)/ˈdyplɛks/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een woning, hetzij een eengezinswoning of een woning in een meergezinshuis, die tijdelijk gesplitst is in twee deelwoningen
- (bouwkunde) maisonnette
- voor twee personenIk koos uiteindelijk voor de Duplex van Zpacks, een ruime tweepersoons enkelwandige, cuben fiber tent van nog geen 700 gram.
Etymologie
* van Latijn "duplex"
Vertalingen
Engelsdouble, dual, double
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek