duplex

mannelijk (de)/ˈdyplɛks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een woning, hetzij een eengezinswoning of een woning in een meergezinshuis, die tijdelijk gesplitst is in twee deelwoningen
  2. bouwkunde (bouwkunde) maisonnette
  3. voor twee personen
    Ik koos uiteindelijk voor de Duplex van Zpacks, een ruime tweepersoons enkelwandige, cuben fiber tent van nog geen 700 gram.

Etymologie

* van Latijn "duplex"

Vertalingen

Engelsdouble, dual, double