duizelen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (onpr) het gevoel van evenwicht en helderheid van geest doen verliezenHet duizelde hem toen hij het nieuws hoorde.
Etymologie
*Een frequentatieve vorm van het verouderde duizen (duizelig zijn) (verg. beduusd)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek