duimen
/ˈdœymə(n)/
Betekenis
werkwoord
- voortdurend herhaald handgebaar bedoeld om geluk te brengen (zie Duimen op Wikipedia)Zul je duimen dat ik win?
- (figuurlijk) hopenEn nu maar duimen dat ik geslaagd ben.
- duimendraaienHij zat tevreden met zijn handen op de buik te duimen.
- (figuurlijk) nietsdoenHeb je nu weer de hele middag zitten duimen?
- handgebaar van een lifter om automobilisten te laten weten dat hij wil meerijden(...) ik vond niet dat ik tijd had om te stoppen en een duimende jongeman tot aan zijn bestemming te brengen.
- duimzuigenDe zuigeling viel al duimend in slaap.
- (Bargoens): vals spelen
- (verouderd) met de duim bewerken
Etymologie
thumb|6: duimzuigen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek