duim
mannelijk (de)/dœym/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) eerste, kortste en dikste vinger, gelegen naast de wijsvinger, met twee geledingen, die zowel naast als tegenover de andere vingers geplaatst kan wordenMaar omdat ik voelde dat ze naar me keek, stak ik mijn duim in de korst.Iets later zag ik gelukkig twee duimen de lucht in gaan om aan te geven dat alles goed was.
- (eenheid), (verouderd) oude lengtemaat. De exacte lengte is streek-afhankelijk; bijvoorbeeld, de Engelse duim is 2.54 cm (inch), de Amsterdamse duim is 2.573 cm
- haakspijker.
- scharnierhaak
Etymologie
* In de betekenis van ‘voorste vinger’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- iemand onder de duim houden — over iemand de baas zijn
- iets op zijn duimpje weten — iets heel goed weten
- iets uit zijn duim zuigen — iets verzinnen
- de duimschroeven aanleggen — iemand met heel erg onder druk zetten
- dat ligt er duimsendik bovenop — dat is heel duidelijk
- vingers en duimen aflikken — iets heel lekker vinden
- duim opsteken — gebaar van iemand langs de kant van de weg als teken dat hij met iemand wil meereizen
Vertalingen
Engelsthumb, inch
Franspouce, pouce
DuitsDaumen, Zoll
Spaanspulgar, pulgada
Italiaanspollice, pollice
Portugeesdedo polegar, polegar
Russischдюйм
Chinees英寸
Japans親指 (おやゆび, oyayubi), インチ
Koreaans엄지, 엄지손가락
Turksbaşparmak
Poolskciuk, cal
Deenstommelfinger, tommeltot
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek