duiken

/ˈdœykə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    Zij duiken vaak in de Rode Zee.
  2. in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    De kinderen leren van de springplank in het water te duiken.
  3. erga (erga) snel naar beneden gaan
    Het vliegtuig dook naar beneden.
  4. erga (erga) snel verbergen of ontwijken
    Als het tijd wordt om schoon te maken , duiken de mannen altijd.

Etymologie

*Germaans *dūkan, Oudhoogduits tūhhan, Duits : tauchen, mogelijk Middelengels doke, Engels to duck.

Uitdrukkingen

  • (met iemand) in de koffer duiken

Vertalingen

Engelsdive, dive, dive
Fransplonger
Duitstauchen, springen
Spaansbucear, clavado
Russischнырять, погружаться
Japans潜る, 飛び込む
Poolsnurkować, zanurkować, dać nurka
Zweedsdyka, dyka, dyka