duiken
/ˈdœykə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)Zij duiken vaak in de Rode Zee.
- in het water springen zodat de armen eerst het water in gaanDe kinderen leren van de springplank in het water te duiken.
- (erga) snel naar beneden gaanHet vliegtuig dook naar beneden.
- (erga) snel verbergen of ontwijkenAls het tijd wordt om schoon te maken , duiken de mannen altijd.
Etymologie
*Germaans *dūkan, Oudhoogduits tūhhan, Duits : tauchen, mogelijk Middelengels doke, Engels to duck.
Uitdrukkingen
- (met iemand) in de koffer duiken
Vertalingen
Engelsdive, dive, dive
Fransplonger
Duitstauchen, springen
Spaansbucear, clavado
Russischнырять, погружаться
Japans潜る, 飛び込む
Poolsnurkować, zanurkować, dać nurka
Zweedsdyka, dyka, dyka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek