drieluik

onzijdig (het)/'drilœyk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schilderstuk dat uit drie onderling verbonden panelen bestaat
  2. radio- of televisieprogramma, film, boek, artikel, muziekstuk enz. die of dat uit drie delen bestaat

Etymologie

* In de betekenis van ‘schilderstuk met drie panelen’ voor het eerst aangetroffen in 1891

Vertalingen

Spaanstríptico