driekamerwoning
vrouwelijk (de)/dri'kamərwonɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) woning met drie kamersHet echtpaar zonder kinderen had een driekamerwoning gehuurd.Zijn vader was postbode, zijn moeder huisvrouw en ze woonden in een driekamerwoning in een van de huurhuizen in Abrahamsberg, waar hij zijn kamer moest delen met een oudere broer en een jongere zus.
Etymologie
*samenstelling van drie, kamer en woning
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek