draai

mannelijk (de)/draj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. omwenteling
    De turner maakte een Yurchenko met hele draai en gehoekte salto.
  2. figuurlijk (figuurlijk) opvallende verandering van richting of mening
    Het vliegtuig maakte een draai naar rechts.
    Dat hij opeens niet meer naar Spanje wou, was een draai die haar verraste.
  3. verouderd (verouderd) klap die met een zwaaiende arm wordt gegeven
  4. plaats waar iets buigt of een rondgaande beweging kan maken
    De verhuizers kregen de kast met moeit voorbij de draai in de trap.

Etymologie

* "draaien"

Uitdrukkingen

  • een draai geven aan
  • een draai maken
  • een draai nemen
  • draai om de oren
  • een draai om de oren geven
  • zijn draai vinden
  • zijn draai niet kunnen vinden

Vertalingen

Engelsturn
Spaansgiro, rotación, vuelta