dorpeling

mannelijk (de)/ˈdɔrpəˌlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
    Een dorpeling meldde zich in onze achtertuin, ze lopen hier het liefst achterom, dat is dorps.
    Er waren dorpelingen die vonden dat je in een National Park niet moet bouwen.

Etymologie

*afgeleid van dorp

Vertalingen

Engelsvillager, village dweller
Fransvillageois
DuitsDorfbewohner, Dörfler
Spaansaldeano
Poolswieśniak
Zweedsbybo
Deenslandsbybo, landsbyboer