dorpel

mannelijk (de)/'dɔrpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) het horizontale gedeelte van een kozijn tussen de verticale stijlen
    De houten dorpel was helemaal verrot als gevolg van slecht onderhoud.
  2. (Limburg) verkeersdrempel
    Hij vloog met zijn wagen hard over de dorpel heen.

Etymologie

* van Middelnederlands "dorpel" en Oudnederlands durpello; in de betekenis van ‘drempel’ voor het eerst aangetroffen in 701