dopsleutelset

mannelijk (de)/ˈdɔpsløtəlˌsɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) handgreep aan een als hefboom werkende steel met een verzameling daaraan te bevestigen doppen in verschillende maten om bouten en moeren los of vast te draaien
    Het gelukkigst leek de literatuurspecialiste die automonteur werd en wegens haar buitengewone vaardigheid met de dopsleutelset dat vak zou gaan doceren.