doper

mannelijk (de)/'dopər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iemand anders ritueel met water besprenkelt of erin onderdompelt en zodoende tot een geloof toelaat
    Van de tentoonstelling Maria in het Catharijneconvent in Utrecht verwachtte ik veel, maar het valt tegen. Ik was uit op lekker veel afbeeldingen van de Visitatie – belachelijk statig woord voor dat eeuwige moment van tederheid: de ontmoeting van twee zwangere vrouwen. Maria en haar nicht Elisabeth, aanstaande moeder van Johannes de Doper, raken elkaars buik aan om de baby’s te voelen schoppen. Er is er hier maar een. Wel een mooie, uit 1465. Maar verder… wat moet ik met een schoolplaat en met die vitrine vol troep uit Lourdes? NRC Joyce Roodnat 15 februari 2017
  2. iemand die behoort tot de doopsgezinden

Etymologie

* van dopen

Vertalingen

Engelsbaptizer