doorzwemmen

/ˈdorzwɛmə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) doorgaan met zwemmen in een bepaalde richting zonder te stoppen
    Ik heb het fluitje niet gehoord en ben gewoon naar de andere kant doorgezwommen
    "Het duurde maar en het duurde maar. Het enige wat ik kon doen was gewoon doorzwemmen zonder te weten hoe ver het nog was. Ineens kwam de brug van Vroomshoop in zicht."
  2. inerg (inerg) doorgaan met de activiteit van het zwemmen
    Ik heb de hele winter doorgezwommen.
    't Hart maakt zich geen zorgen dat Emma en Seppe hun avontuur niet overleven. „Als ze lang genoeg doorzwemmen vinden ze vanzelf weer de zee. Maar uiteindelijk brengen we ze natuurlijk het liefst zelf weer terug.
werkwoord
  1. ov (ov) zwemmend doorkruisen
    Chirstoph Roodhooft doorzwom al heel wat watertjes