doorzagen
/ˈdorzaɣə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (ov) met een zaag in twee stukken verdelen.Het viel niet mee de dikke boom door te zagen.
- (inerg) eindeloos doorpratenEn hij zaagde maar door, het was oervervelend.
- (ov) eindeloos uitvragenHij werd in dat gesprek flink doorgezaagd.
Etymologie
*doorzágen: vervoegde vorm van doorzíén
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek