doordringen

/dorˈdrɪŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand tot op de grond overtuigen van iets.
    Ik doordróng hen van de noodzaak ervan.
werkwoord
  1. erga (erga) weten ergens binnen te komen.
    Hij drong dóór tot in het hart van het fort.
  2. helemaal duidelijk worden
    Eindelijk drong het tot hem door dat hij een fout had gemaakt.
    Ik bleef nog een tijdje languit in het gras liggen om de tekst die ze mij had voorgelezen tot me door te laten dringen.