doorbreken
/ˈdorbrekə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) in twee stukken uit elkaar laten vallen door met kracht te buigenTijdens de preek mochten ze proberen een takje door te breken. Dat was geen probleem, maar 5 takjes tegelijk doorbreken bleek toch een stuk moeilijker, zo niet onmogelijk. Dus samen ben je een stuk sterker dan alleen.
- (erga) (waterbeheer) (van een waterkering) op een of meer plaatsen onder de druk van het water bezwijkenDie dijk staat op doorbreken.Laat de dijk maar doorbreken, misschien gebeurt er dan wel wat.
- (erga) met kracht een doorgang maken, een weg door iets heen forcerenEr werd gezegd dat de 163ste Infanteriedivisie uit alle macht zou proberen vanaf de andere kant van de Maas door te breken. {{Aut|Lemaitre, Pierre
- (erga) een bekendheid en waardering bereiken die nodig is om succes te hebbenDoorbreken bij een groot publiek is voor Nederlandse muzikanten een grote uitdaging.Meer dan de helft van de Nederlanders overweegt in de toekomst een elektrische auto aan te schaffen. Dat blijkt donderdag uit de jaarlijkse Elektrisch Rijden Monitor van de ANWB. De verkeersorganisatie stelt op basis van de derde editie van de monitor dat „elektrisch rijden op het punt van doorbreken staat op de particuliere markt”. Momenteel worden elektrische auto’s vaak zakelijk geleased.
werkwoord
- (ov), (figuurlijk) een einde aan een heersende situatie maken.Zijn nuchtere opmerking doorbrak het eindeloos gekibbel.Het vogelgezang doorbrak de stilte in het bos.Zou het zo kunnen dat nu de coronacrisis op een laag pitje staat, jongeren zich meer verbonden willen voelen door het delen van het alledaagse, om zo de sleur van een inhaalzomer vol festivals en vakanties te doorbreken?
Etymologie
**doorbréken: van Middelnederlands "dorebreken"
Vertalingen
Engelsbreak through, break
Duitsbrechen, durchbrechen
Spaansromper, abrirse paso, cortar por lo sano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek