woorden
boek
Start
›
D
›
doopsuiker
doopsuiker
mannelijk (de)
/'dopsœykər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
suikergoed, meestal suikerbonen, aangeboden in sommige gebieden aan vrienden en kennissen bij de geboorte van een kind of petekind
Verwante woorden
doop
doopakte
doopakten
doopaktes
doopattest
doopattestatie
doopattestaties
doopattesten
doopbassin
doopbediening
doopbekken
doopbekkens
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← doopsgezinden
doopsuikers →