doop

mannelijk (de)/dop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (christendom) plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren en zonden afgewassen worden
    Er werden drie dopen uitgevoerd.
  2. figuurlijk (figuurlijk) eerste keer dat iemand een taak uitvoert of eerste gebruik van een object
    De Leandro Trossard moest, zoals dat gaat met nieuwe Rode Duivels, een liedje zingen voor zijn nieuwe ploegmaats bij wijze van doop.

Etymologie

*(erfwoord) van Middelnederlands "dope" en Oudnederlands "douphe"

Vertalingen

Engelsbaptism
Spaansbautizo, bautismo, bautizo
Deensdåb