doopkaars

mannelijk/vrouwelijk (de)/'dopkars/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kaars die speciaal gemaakt is voor een doopplechtigheid
    Tussen kerk en pastorij werd zaterdag een mobiel altaar opgetrokken, met religieuze symbolen en een orgel. De eremis werd opgeluisterd door een mannenkoor. Een processie rond de kerk ging de eremis vooraf, met een bruidsmeisje op kop. Die droeg een doopkaars, de handenwindsels die De Clercq tijdens de offerande moest omdoen en een kroon. Net voor en na afloop volgden handopleggingen.de Standaard 09/07/2011 oom [http://www.standaard.be/cnt/dmf20110709_052 Merelbeekse priester van Sint-Pius X houdt eerste eremis in open lucht ]
    Toen begreep die mevrouw opeens ook het symbool van het aansteken van een doopkaars: er is een nieuw licht in ons midden.”NRC Judith Eiselin 11 april 1996 [https://www.nrc.nl/nieuws/1996/04/11/vernieuwde-rituelen-rond-geboorte-en-dood-aandachtig-7306088-a1327899 Vernieuwde rituelen rond geboorte en dood; Aandachtig welkom in de wereld ]