doctorstitel

mannelijk (de)/ˈdɔktɔrsˌtitəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de officiële titel die iemand mag voeren na het schrijven en het verdedigen van een proefschrift
    Alle negenentwintig hadden een of andere doctorstitel en waren onbekende wetenschappelijke grootheden met de meest verschillende zogenaamde wetenschappelijke specialiteiten, van dierenartsen tot taalkundigen.