doctor

mannelijk (de)/ˈdɔktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
    Hij is laatst gepromoveerd van academicus tot doctor.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘academische graad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1557

Vertalingen

Engelsdoctor
Fransdocteur
DuitsDoktor
Spaansdoctor
Italiaansdottore di ricerca
Poolsdoktor
Zweedsdoktor
Deensdoktor