docent
mannelijk (de)/doˈsɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs), (beroep) iemand die les geeft (bij het voortgezet of hoger onderwijs)Hij is universitair docent in Leiden.Docenten van de muziekschool gaven een concert.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘leraar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1805
Vertalingen
Spaansdocente, instructor, profesor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek