Dissel

mannelijk (de)/dɪsəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een houten of metalen stang voor een voertuig aan weerszijden waarvan trekdieren ingespannen kunnen worden
    Aan de dissel werden twee trekpaarden vastgemaakt.
  2. een stang of buis waarmee een aanhangwagen aan een auto of vrachtwagen bevestigd kan worden
    Als de aanhangwagen slechts één as heeft is de dissel vast bevestigd aan de aanhanger.
  3. een houtbewerkingsgereedschap om b.v. een waterbak uit te hakken uit een boomstam (drinkbak in de alpen)

Etymologie

* [3] (erfwoord): Middelnederlands diessel, ontwikkeld uit Oergermaans *þehsalōn, dat teruggaat op Indo-Europees *teks-l(e)h₂- ‘bijl’, waartoe ook Oudiers tál ‘bijl’, Latijn tēlum ‘werpspies’, Russisch teslá ‘bijl’ en Avestisch taša- ‘bijl’ behoren. Evenals Nederduits Dessel, Düssel, Duits dial. Dechsel en Zweeds dial. täxla.

Vertalingen

Engelsadze
Fransherminette, mazza da fabbro
DuitsDechsel, Breitbeil
Spaansazuela
Italiaansasciola
Portugeesenxó
Russischтесло́
Japans
Poolsciesak, cieślica, ciosła
Zweedsdäxel, skarvyxa
Deensskarøkse