discours

onzijdig (het)/dɪsˈkuːr(s)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uiteenzetting van opvattingen
    In afgelopen jaren zijn spanningen tussen bevolkingsgroepen, die eerder onderhuids sluimerden, openlijk aangegrepen in het politiek discours.
    Discriminatie waar het echt bestaat, zoals op de arbeidsmarkt bij uitzendbureaus en makelaars, blijft buiten schot. Terwijl morele chantage en racisme tegen witte mensen het discours, en daarmee, het beleid gaan inkleuren.
    Een officiële geschiedschrijving, met alles wat daarbij hoort aan archieven, handboeken, chronologische overzichten en discoursen, ontbreekt hier.

Etymologie

*van "discours", in de betekenis van ‘gesprek’ voor het eerst aangetroffen in 1578

Vertalingen

Engelsdiscourse
Fransdiscours
Spaansdiscurso