dikkopje
/ˈdɪkɔpjə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kikkers) larve van een kikvorsachtige of salamander
- (vlinders) meerdere dagvlindersoorten uit de familie met een behaarde motachtig lichaam, haakvormige voelsprieten en een schietend vluchtpatroon, van wie de meesten bruin met witte of oranje vlekken zijn
- (straalvinnigen) langs de kust bewonende grondelsoort, gekenmerkt door de meer dan 60 schubben in de zijlijn en een variabele kleuring, waardoor hij bijna onzichtbaar is in de zanderige getijdenpoelen die hij vaak bezoekt, leeft voornamelijk van kleine schaaldieren
Etymologie
*afgeleid van "dikkop"
Vertalingen
Engelstadpole, skipper, sandgoby
Franshespéridé, gobie buhotte, gobie des sables
DuitsDickkopffalter, Sandgrundel
Spaanshespérido
Italiaansesperido, ghiozzetto minuto
Poolsbabka mała, caboz-de-areia
Zweedssandstubb
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek