dempen

/dɛmpən/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) dichtgooien met grond of ander vast materiaal
    De werklieden gingen de gracht dempen.
  2. ov (ov) zwakker maken, verzwakken, temperen
    De buren wilde graag het geluid dempen.
    Schokken (van een auto) of trillingen (van een brug) dempen gebeurt meestal met schokdempers.

Etymologie

* In de betekenis van ‘dichtgooien, temperen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1620

Uitdrukkingen

  • Als het kalf verdronken is dempt men de putPas als het kwaad al gebeurd is pakt men de oorzaak aan.

Vertalingen

Engelsfill up, muffle, absorb
Franscombler, amortir
Duitszuschütten, zuwerfen, dämpfen
Spaansterraplenar, llenar, apagar