daglicht

onzijdig (het)/'dɑxlɪxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. licht van de zon dat overdag de wereld verlicht
    Bij daglicht zijn kleuren veel beter te zien.
    De diarreeaanval had als een sluipmoordenaar in vol daglicht toegeslagen.
    Hijgend probeerde ze op adem te komen, terwijl ze haar blik over de bossen aan de andere kant van de vallei liet glijden, de bomenrij die steeds zwarter werd, terwijl het laatste daglicht in een rokerige lucht verdween.
  2. licht van TL-lamp, typisch een ronde vorm, dat zonlicht nabootst

Etymologie

*dag + licht

Uitdrukkingen

  • dat kan het daglicht niet verdragendat is verboden en moet dus verborgen blijven
  • iemand in een kwaad daglicht stellenzeggen dat iemand dingen doet die fout zijn (en dus het daglicht niet kunnen verdragen

Vertalingen

Engelsdaylight
Fransjour
DuitsTageslicht
Spaansluz del día
Russischестественное освещение, дневной