dagen

/ˈdaɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. onpr (onpr) dag worden
    Het daagde al in het oosten toen hij eindelijk in slaap viel.
  2. ov, juridisch (ov) (juridisch) dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
    Hij werd voor de rechtbank gedaagd.
  3. absol (absol) beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
    Toen begon er iets bij hem te dagen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘oproepen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Fransapparaître, luire
Duitsdämmern, tagen, vorladen
Spaansamanecer, alborear, esclarecer