dagen
/ˈdaɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (onpr) dag wordenHet daagde al in het oosten toen hij eindelijk in slaap viel.
- (ov) (juridisch) dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnenHij werd voor de rechtbank gedaagd.
- (absol) beginnen te beseffen, beginnen bewust te wordenToen begon er iets bij hem te dagen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘oproepen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Fransapparaître, luire
Duitsdämmern, tagen, vorladen
Spaansamanecer, alborear, esclarecer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek