cumuleren
/kymyˈlerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) zich opstapelen, ophopenAl is de rente maar een paar procent, toch groeit het bedrag op den duur flink doordat het cumuleert.
- het samenvoegen van verschillende percelen of kavels bij een verkoop
- (ov) (Vlaanderen) een bepaald ambt of functie combineren met een ander ambtBelgische ministers en staatssecretarissen mogen hun functie niet cumuleren met een lokaal mandaat.
- (inerg) (Vlaanderen) verschillende ambten gelijktijdig uitoefenenElio Di Rupo cumuleerde door zowel minister-president van Wallonië als partijvoorzitter te zijn.
Etymologie
*afgeleid van het Franse cumuler () [https://fr.wiktionary.org/wiki/cumuler Wiktionnaire]
Vertalingen
Franscumuler
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek