cross
mannelijk (de)/krɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) wedstrijd door open terrein vol natuurlijke hindernissen
- als eerste deel van samenstellingen, min of meer aan het Engels ontleend: op verschillende deelgebieden betrekking hebbend, kruislings doorsnijdend
Etymologie
*van "cross" "doorkruisen, een doorsnede vormend"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek