cross

mannelijk (de)/krɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) wedstrijd door open terrein vol natuurlijke hindernissen
  2. als eerste deel van samenstellingen, min of meer aan het Engels ontleend: op verschillende deelgebieden betrekking hebbend, kruislings doorsnijdend

Etymologie

*van "cross" "doorkruisen, een doorsnede vormend"