corona
mannelijk/vrouwelijk (de)/koˈrona/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (astronomie) krans van licht rond de zon te zien tijdens een volledige zonsverduistering
- (meteorologie) krans van licht door de diffractie van de zon of de maan door kleine waterdruppels of ijskristallen van een wolkRond de maan was er een prachtige corona te zien.
- (taalkunde) diakritisch teken boven een foneemIn het Deens, Noors en Zweeds komt er boven de a een corona voor (å) en wordt gezien als aparte letter, en in het Tsjechisch boven de u (ů).
- (mineralogie) mineraal dat omringd wordt door een ander mineraal
- (natuurkunde) ontladingsverschijnsel
- (biologie) benaming voor virussen uit de familie en meer in het bijzonder de onderfamilie
- (medisch) (informeel) benaming voor COVID-19, een ziekte die door een coronavirus wordt veroorzaakt
Etymologie
* van Latijn "corona" "krans, kroon", in de betekenis van ‘kransvormige buitenste atmosfeer van de zon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1900
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek