convers

mannelijk (de)/kɔnˈvɛrs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis, religie (geschiedenis) (religie) een kloosterling die wel de gelofte van de orde waartoe hij behoort, heeft afgelegd doch zonder klerikale wijdingen en met minder verplichtingen ten aanzien van het koorofficie
  2. het tegengestelde

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lekenbroeder’ voor het eerst aangetroffen in 1276