lekenbroeder
mannelijk (de)/ˈlekə(n)ˌbrudər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (rooms-katholiek) monnik die wel geloften heeft afgelegd maar niet tot priester is gewijd, in een klooster vaak belast met ondersteunende praktische werkzaamhedenDe Janskerk was ooit de kapel van het Haarlemse Jansklooster ofwel de Commanderie van Sint-Jan waar deze schilder als lekenbroeder werkte en later ook werd begraven.Dieptepunt was de moord op negen koormonniken en drie lekenbroeders, toen de troepen van prins Willem van Oranje de stad op 22 juli 1572 op de Spanjaarden veroverden.
Etymologie
*van Middelnederlands "leecbroeder", op te vaten als
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek