constructie
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het in elkaar zetten of produceren van ietsBij de constructie van auto's worden grote hoeveelheden spoelwater gebruikt bij de oppervlaktebehandeling.De constructie van het verleden.
- (bouwkunde) een bouwkundige (dragende) samenstelling van bouwmaterialen (die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het bouwwerk)Een constructie van baksteen.
- (techniek) iets dat uit mechanische onderdelen is opgebouwdEen gelaste constructie.
- (juridisch) juridische ~ een specifieke manier van regelgeving of foefje b.v. een beschermingsconstructie, sale-and-lease-backconstructie, u-bochtconstructie of een sterfhuisconstructie
- (sociologie) (filosofie) een naar een stel ideeën samengesteld geheelOf het zoveel beter was, liet ze in het midden. Deze constructie had het nadeel dat zij op de zondagnamiddag volkomen stuk zat.
- (taalkunde) de opbouw van een zin of literair werk b.v. zinsconstructie
Etymologie
*waarschijnlijk niet van construeren
Vertalingen
Engelsconstruction, construct
Fransconstruction
Spaansconstrucción
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek