constructie

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het in elkaar zetten of produceren van iets
    Bij de constructie van auto's worden grote hoeveelheden spoelwater gebruikt bij de oppervlaktebehandeling.
    De constructie van het verleden.
  2. bouwkunde (bouwkunde) een bouwkundige (dragende) samenstelling van bouwmaterialen (die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het bouwwerk)
    Een constructie van baksteen.
  3. techniek (techniek) iets dat uit mechanische onderdelen is opgebouwd
    Een gelaste constructie.
  4. juridisch (juridisch) juridische ~ een specifieke manier van regelgeving of foefje b.v. een beschermingsconstructie, sale-and-lease-backconstructie, u-bochtconstructie of een sterfhuisconstructie
  5. sociologie, filosofie (sociologie) (filosofie) een naar een stel ideeën samengesteld geheel
    Of het zoveel beter was, liet ze in het midden. Deze constructie had het nadeel dat zij op de zondagnamiddag volkomen stuk zat.
  6. taalkunde (taalkunde) de opbouw van een zin of literair werk b.v. zinsconstructie

Etymologie

*waarschijnlijk niet van construeren

Vertalingen

Engelsconstruction, construct
Fransconstruction
Spaansconstrucción