structuur
vrouwelijk (de)/strʏkˈtyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de interne opmaak van een geheelWat is de structuur van dat blad?Deze subtiele en vaak hoogst abstracte bespiegelingen rondom de Weg uit zijn DDJ-commentaar heeft Wang zelf lucide samengevat in de Schets van de subtiele betekenis en structuur van de Laozi.
- de manier waarop een samengesteld geheel is opgebouwdEn om de bleke kleur wat op te peppen goot hij het half geronnen kattenbloed eroverheen, waarna hij het volgens de regelen der kunst met twee pollepels vermengde, ervoor wakend de structuur niet te beschadigen.Ik was altijd een efficiënte planner geweest en hield van structuur, orde en controle.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wijze van opbouw’ voor het eerst aangetroffen in 1494
Vertalingen
Engelsstructure
Fransstructure
DuitsStruktur
Spaansestructura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek