clinicus
mannelijk (de)/ˈkliniˌkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- behandelend geneesheer
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘arts’ voor het eerst aangetroffen in 1556
Vertalingen
Engelsclinician
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek