clausuur
vrouwelijk (de)/klɔu'zyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) afsluiting van bepaalde delen van een klooster voor buitenstaanders
- slot (om een boek te sluiten)
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afsluiting’ voor het eerst aangetroffen in 1790
Vertalingen
Engelsseparation
Fransclôture
Spaansseparación
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek