Claus
vrouwelijk (de)/klɔus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- laatste woord van een passage waarop een acteur wacht om in te vallen
- passage in een toneelstuk die door één acteur zonder onderbreking gesproken wordt
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘passage in toneelstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1916
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek