chirurgijn
mannelijk (de)/ʃirʏr'ɣɛɪn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (geschiedenis) een medisch behandelaar in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd die tevens barbier was
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘heelmeester’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek