chino

onzijdig (het)/ˈtʃino/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) dunne, gekeperde stof van katoen, meestal met een kaki kleur
    Dit jasje zonder poespas is gemaakt van lichtgewicht katoenen chino (…).
zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) nauw vallende, eenvoudige broek van dun, gekeperd katoen, oorspronkelijk gebruikt als legerkleding en na de Tweede Wereldoorlog populair geworden als vrijetijdskleding
    Beiden droegen een chino, een zachtblauw jasje en een eigeel overhemd.
    Er is een hele wand vol spijkerbroeken van Lee, Wrangler en KOI, al „verkopen spijkerbroeken voor geen meter, alle mannen dragen nu chino’s”.

Etymologie

*via Amerikaans "chino" van "chino", omdat de betreffende stof uit China afkomstig was