captain

mannelijk (de)/'kɛptən/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een aanvoerder van een sportploeg
    - De captain overlegde tijdens de wedstrijd met de scheidsrechter.
    - Hodgsons nam een „grote gok”, spraken tabloids en kwaliteitskranten gistermorgen eender over het voornemen om de basiself van de voorgaande twee duels voor (ruim) de helft om te gooien. Rust voor sommigen (captain Wayne Rooney, beide backs), een beloning voor anderen zoals aanvallers Jamie Vardy en Daniel Sturridge, die tegen Wales het verschil maakten.Bart Hinke NRC 21 juni 2016
  2. beroep (beroep) een gezagvoerder in een vliegtuig
    - De captain stelde zich netjes voor.
  3. captain of industy: directeur

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de engere betekenis van ‘(sport)aanvoerder’ voor het eerst aangetroffen in 1889

Vertalingen

Engelscaptain
Spaanscapitán