aanvoerder
mannelijk (de)/ˈaɱvurdər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een bevelhebber, een leiderAjax was de aanvoerder van de competitie. Waarschijnlijk zullen ze kampioen worden.Hij was de aanvoerder van het team.'Als ik nu eerst eens met de aanvoerders van elke kleur om de tafel ga zitten. We staan hier maar bij elkaar en daar bereiken we niets mee. Laten alle aanvoerders naar voren komen. Iedereen kan dan voorlopig naar huis gaan en wachten op wat de aanvoerders besluiten te doen.' {{Aut|Herzen, Frank
Etymologie
* van aanvoeren
Vertalingen
Engelsleader
DuitsAnführer, Leiter, Intendant
Spaanslíder, amo, capitán
Italiaanscapo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek