cacao

mannelijk (de)/kaˈkɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding, drinken (voeding) (drinken) product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt voor de bereiding van chocolade
    In Zaandam wordt van cacao chocolade gemaakt.

Etymologie

* Leenwoord uit het Spaans, van klassiek Nahuatl "cacahuatl", in de betekenis van ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596

Vertalingen

Engelscocoa
Franscacao
DuitsKakao
Spaanscacao
Italiaanscacao
Portugeescacau
Poolskakao
Zweedskakao
Deenskakao